Tot gister vond ik het amusant, en er is een tijd geweest dat ik het echt geloofde. Dat mannen je gelukkig kunnen maken. Echt waar. Precies zoals ik in Sinterklaas geloofde. Heb er de mooiste herinneringen aan.
Ik zal die dag nooit vergeten. Ik was jong. Erg jong. Op een morgen ontwaakte ik en het geluk zelf nam de sluier van de zoete nacht van me weg. Ik vind het ‘t mooiste moment dat een schepsel ontvangen mag. Het is zo onschuldig. Je wordt wakker en je beseft dat je iets bijzonders gegeven is, maar het heeft nog even geen naam.
Pas toen ik mijn hoofd wendde en hem naast me zag, in diepe rust en in volkomen onschuld, liep mijn hart weer vol. Ik richtte me voorzichtig op. Steunde op mijn ellebogen, mijn vuisten onder mijn kin. Zo keek ik naar hem en huilde tranen van puur geluk.
Zijn adem stokte even en hij deed zijn ogen open. Ik zag geen mist die eerst op moest trekken, maar liet me in twee heldere meren glijden en dompelde me onder in een beginnend glimlachje. Teder ontwaken noem ik dat.
Hij stierf precies op tijd. Zijn dood camoufleerde de barsten in onze relatie. Ik liet me troosten en ontdekte mijn gevoel voor drama. Ik kon mijn ogen een uitdrukking geven van diepe smart en tegelijkertijd mijn gezicht bekleden met een breekbare glimlach. Mannen waren daar gek op. Ze zagen het aan voor zwakte en het riep beschermende instincten bij hen op. Ik moest overigens niet proberen de rolverdeling sterke man versus zwakke vrouw op de proef te stellen. Als ik dat toch deed lieten ze het afweten.
Ik deed er twee huwelijken over om tot de jaren van verstand te komen. Ik ontdekte dat de poort naar het leven niet persé via een man, of via een vrouw hoefde te lopen. Eerlijk gezegd maakte ik mijn herinneringen aan liefdes zo mooi, dat elke volgende man mij wel teleur moest stellen.
Totdat bij de Albert Heyn ik een man bij de zuivel zag staan. Ik had hem nooit eerder gezien. Zijn ogen dwaalden over de schappen. Hij had een recept in de hand. Ik wachtte ongeduldig tot hij plaats zou maken. Mannen kunnen geweldig veel ruimte innemen. Het winkelwagentje is in hun handen een dranghek dat meters schapruimte in beslag neemt. Hij keek mij aan, maakte een onbestemd gebaar met het recept en zei maar één woord.”Koksroom.” Hij keek er vragend bij. Hij was groter dan ik en zag er onopvallend uit. Rode ski-jack en spijkerbroek. Ik keek naar zijn schoenen en voelde ver weg iets alert worden. Net of er iets ontwaakte. Ik had haast en nam het bekertje koksroom en overhandigde het met het snelle glimlachje dat bij zo’n gebaar hoort. “Van Friesche vlag. Juist,” zei hij en toen ik de slankroom in mijn winkelwagentje legde werd het gevoel van alertheid sterker. Iets dwong me. Ik wist niet wat het was, maar het had met die man van doen.
Ik keek hem nog eens aan. Wist me geen raad. Had het gevoel hier niet weg te willen en kon ook geen reden bedenken om te blijven. Hij was een open boek. Zijn gezicht verborg niets. Ik zag dat hij naar sporen van herkenning zocht in mijn ogen.
“Wat ga je maken?” vroeg ik.
“Spaghetti met Pestosaus,” antwoordde hij en wuifde met het recept.
Mijn haast was verdwenen en ik werd rustig van binnen. De winkelende mensen om me heen hielden op te bestaan. Nu moest er iets gebeuren, maar ik voelde me verlamd. Een vreemd gevoel is dat. Het gaat voorbij en je weet niet wat er gebeurd zou zijn als. Hij zweeg, maar zijn ogen lieten me niet los. Ik sloeg ze als eerste neer. Hij maakte ruimte en ik liep verder.
Ik zag hem terug bij de kassa naast me. Hij had nauwelijks iets in zijn winkelwagentje en ik voelde, telkens als hij iets er uitnam, hij een ogenblik naar me keek. Ik slikte en reed even later met mijn boodschappenwagentje naar de lange rij lege wagentjes. Ik nam mijn boodschappentas er uit, zette die op de grond en schoof het wagentje in de rij. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe iemand mijn tas optilde en ik glimlachte, draaide me om en zei: ”Ik heet Linda.”
En vanmorgen werd ik wakker. Nog voor ik mijn ogen open deed wist ik dat het leven me iets bijzonders gegeven had, maar dat het nog geen naam had.