In een deftig donkerblauw pak,
wenkt de eeuwige glimlach naar zijn onzichtbaar publiek
dat bedachtzaam aan de andere kant van de muur zichzelf bedruipt
Zonder megafoon komt zijn stem helderder door
Die muur, opgerezen, om voor eeuwig te scheiden
zal in 1989 geslecht worden,
de glimlach weet dat echter nog niet
Eeuwig
Een roze japon, verwaait in bloemen
staat beverig, een hand op het voorhoofd,
een Hollywood zucht glijdt
over haar veel te roze lippen
Het piept,
haar stem,
die zonder megafoon versterft in de fijne regen
Hij zingt
Zij weent
Zij vloekt
Zij mijmert
Over die met graffiti bespoten muur
Duizenden jaren filosofie,
maken in het tafereel geen verschil,
TAO en Wittgenstein, wiggelroede
En die muur die daar maar staat
de glimlach die zachtjes wuift
de jurk verliest haar bloemen
De jurk valt, deukt voorzichtig het ontwapend beton,
geen schietgrage scherpschutters die uit het niets, handen, hoofden en dromen
doorzeven
Korzelig valt het vertrouwen in
de met verbeelding gebakken bakstenen
gebakken lucht splijt > atomen, neutronen,
de kern ligt bloot
de glimlach kijkt naar de naaktheid
doorkruist de vliezen
en omarmt de essentie van de jurk
in rust