Mijn leven lang heb ik mij voorgedaan als iemand anders. Een ingewikkelde manier van leven, en dat is het. Bijna wilde ik zeggen: was het, want ik heb in mijn huidige hoedanigheid niet zo lang meer te gaan.
Eigenlijk wilde ik helemaal geen mens zijn, veel meer voelde ik mij verwant met dieren. Graag had ik een dier willen zijn.
Welk dier, zult u zich nu afvragen. Ja, dat is het probleem. Het dier dat ik zou willen zijn bestaat helemaal niet, maar het buideldier benadert nog het dichtst mijn wens.
Het wijfje heeft een bijzondere broedzorg, het mannetje verlaat zijn wijfje nooit en als zij weer jongen verwacht, brengt hij haar trouw elke dag voedsel, dat hij met gevaar voor eigen leven weet te verzamelen. Als hij met zijn bekje vol voedsel naar het nest sluipt, is hij weerloos en kan ten prooi vallen aan zijn vele vijanden, waarvan hij de roofvogels het meest vreest. De geduchte havik met zijn vlijmscherpe snavel is het ergst. Maar vlak de buizerd ook niet uit!
Van sommige van zijn soortgenoten heeft het buideldier verhalen gehoord, die hem de vacht recht omhoog doen rijzen. Want het overkomt een prooi wel eens, dat de jager hem laat vallen; door een aanval van een andere roofvogel, door een rukwind, of gewoon uit onhandigheid, wat bij jongere vogels nog al eens voorkomt. Een enkele keer overleeft het slachtoffer de val en weet weer bij zijn familie terug te keren, zodat het zijn gruwelijke ervaringen kan overbrengen.
Mijn belangstelling voor buideldieren ontstond heel toevallig. Met mijn veldkijker observeer ik dikwijls de vogels in mijn bostuin. Op een dag sloeg ik een boomklevertje gade en sloop heel zacht naderbij om te zien waar het zijn nestje had gemaakt. In plaats van het vogelnest zag ik plotseling een klein grijsbruin dier in een nauwe holte onder een boom wegglippen. Zo begon het.
Sindsdien lig ik dikwijls op wacht bij het hol. Op een dag hoorde ik de buidelfamilie over het gevaar van roofvogels praten, althans, communiceren en ik wist de essentie van dat bericht te ontcijferen. Een enkele keer ontdekte ik op het bospad dat langs mijn huis loopt zo'n gevallen buideldier, overleden aan zijn verwondingen.
Als ik tijd had, was ik steeds in de nabijheid van het hol te vinden als de jongen op het punt stonden ter wereld te komen. Met verbazing zag ik hoe ze feilloos langs het door hun moeder platgelikte paadje in haar vacht de weg naar de buidel wisten te vinden, waar ze een veilig schuilplaatsje kregen. Met mijn veldkijker kon ik van dichtbij zien hoe de piepkleine, naakte roze babies over hun moeder kropen, die hen met haar ruwe tong toch heel zacht en teder schoon likte, waarna ze onmiddellijk aan de tepels begonnen te zuigen, die zich bovenin haar buidel bevinden. Ze moeten snel drinken om te overleven, want de tocht naar boven vergt veel energie van de kleintjes.
De vader keek toe aan de rand van het met wolpluizen en mos gevoerde nestje, waar hij nooit een poot in zette. Die voorzichtigheid en zorg trof me diep en ik dacht eraan hoe onnadenkend en ongevoelig mensenvaders zich gedragen in de nabijheid van hun baby. Stampend met hun grote schoenen lopen ze de kinderkamer binnen, wringen zich met hun dikke koppen tussen de wiegengordijnen en met hun harde, rauwe stemmen maken ze de kleintjes aan het schrikken; kortom, wat voor indruk moeten die onnozele kinderen van de wereld om hen heen krijgen? De vaders zouden nog veel kunnen leren van mijn buideldieren.
Hoe meer ik hen gadesloeg, hoe vuriger werd mijn verlangen er bij te horen, om deel van hun kleine, zorgzame gemeenschap uit te maken. Af en toe bracht ik voedsel tot vlak voor het hol. Het duurde enige tijd voordat het mannetje zijn achterdocht had overwonnen, maar tenslotte accepteerde hij het toch dat hij niet ver weg hoefde te gaan om zijn gezin te voeden. Op deze manier bespaarde ik de familie het risico vaderloos te worden.
's Morgens vroeg zit ik achter mijn bureau en schrijf aan mijn boek, want als schrijver verdien ik mijn brood. Ik vermoed dat men mij in de stille, bosrijke wijk waar ik woon, als enigszins zonderling beschouwt. Ik woon alleen, bemoei mij met niemand en ga mijn eigen gang. Een keer in de maand komt een vrouw uit het naburige dorp en maakt mijn huis schoon.
De dag waarop ik in de plaatselijke boekhandel mijn nieuwe boek moest signeren - want zowel uitgever als boekhandel wilde wel wat publiciteit - kwam een moeder met haar dochtertje de winkel binnen en wat mij opviel, was het knuffeldier dat het kind in haar armen hield. Ik herkende het onmiddellijk: het was een buideldier!
De moeder kocht mijn boek en sloot achteraan de rij die zich had gevormd voor het tafeltje, waaraan ik zat te signeren. Maar ik kon mijn ogen niet van het meisje afhouden. Tenslotte kon ik mij niet meer beheersen en toen ik haar boek had getekend vroeg ik de moeder, waar zij dat buideldier had gekocht.
"Ik heb het niet gekocht, ik heb het zelf gemaakt!" antwoordde de vrouw en glimlachte een beetje verlegen.
"Maar waarom een buideldier?" vroeg ik verbaasd.
"Daarom", zei ze en nam het uit de handjes van haar dochtertje en vroeg: "Mag ik je knuffel even aan die meneer laten zien?"
Het kind knikte gewillig. Uit de buidel haalde ze twee jongen. Ze leken zo echt, dat ik ze voorzichtig uit haar handen nam en streelde. Ik vergat de mensen die met mijn boek stonden te wachten; ik was zo overvallen door emoties, dat ik de vrouw vroeg: "Zou u er voor mij ook zo een willen maken?"
Ze lachte zacht. "Als ik u er een plezier mee doe..." "Ja, ja!" zei ik heftig. "Een heel groot plezier. Wilt u even wachten tot ik klaar ben met signeren? Alstublieft?" Ze keek me met gefronst voorhoofd aan, maar antwoordde, dat ze daar geen bezwaar tegen had, mits het niet te lang zou duren. Ik werkte de rij kopers zo snel mogelijk af, maar kon niet voorkomen dat sommigen een opdracht eisten. Het kind zat met haar knuffeldier op een krukje en bladerde in een prentenboek, terwijl haar moeder de boeken op de toonbank bekeek. Eindelijk was de laatste klant verdwenen.
"Zo, ik ben klaar," zei ik. De vrouw gaf me een kaartje met haar naam en telefoonnummer. Sterre Blauw heette ze, wat een prachtige naam.
"Belt u me over een week maar even, dan hoort u of ik het buideldier klaar heb. Ik heb nogal wat opdrachten voor andere dieren", zei ze.
Ik voelde een steek in mijn hart. "Nog meer dieren? Zou ik ze niet even mogen zien?" Ik moet haar zo hunkerend hebben aangekeken, dat ze lachend toegaf.
Ze woonden niet ver van de boekwinkel en even later bracht ze mij in een kamer vol eekhoorns, konijnen, beertjes, balen watten en rollen textiel. Op een lange tafel stond een naaimachine naast dozen vol gekleurde garens.
Op een bank lag een soort deken van hetzelfde grijze pluizige materiaal waarvan het buideldier van het meisje was vervaardigd. Het kind strekte zich erop uit en streek met haar wang langs de zachte stof. Tot mijn verbazing had ik de neiging hetzelfde te doen; ik kon mij nog juist beheersen om niet naast haar neer te vallen. Uit een kast haalde Sterre twee buideldieren. Hun ogen waren van glas.
"Wat heeft u met buideldieren?" vroeg ik zacht. "Dat ze zo’n ontroerende broedzorg hebben,” antwoordde ze eenvoudig.
Ik kreeg tranen in mijn ogen. Ze pakte mij bij mijn arm. "Ach! Waarom huilt u nu?" vroeg ze verschrikt. Het was heel moeilijk om haar uit te leggen wat mij zo aangreep. "Wilt u morgen eens bij mij langs komen? Dan kan ik het u duidelijker uitleggen. En laten zien", voegde ik er aan toe, want zij was het waard, de enige tot nu toe, om het hol te bekijken.
De volgende ochtend, nadat Sterre haar dochtertje naar school had gebracht, dronken we een kopje koffie en daarna nam ik haar mee naar mijn achtertuin. Ik maande haar om heel stil te zijn en zacht te lopen, en aangekomen bij de boom waaronder het hol zich bevond, gebaarde ik haar naast mij te komen liggen. Ik gaf haar de veldkijker en wees naar beneden. Dat ze, zonder zich om haar kleding te bekommeren, onmiddellijk vol vertrouwen naast mij op de grond ging liggen, verheugde mij bijzonder.
Sprakeloos keek ze, en keek heel lang, en toen ze haar gezicht naar mij toewendde, waren haar ogen vol tranen.
Binnen pakte Sterre mijn hand. Ik vertelde haar van mijn grote wens een buideldier te zijn. "Ik zal een heel mooie voor u maken", fluisterde ze.
Na een week belde ze mij. "Het is klaar. Kom het vanavond maar ophalen." De uren kropen voorbij, maar eindelijk was het toch avond geworden en kon ik gaan.
Het kind sliep al. In het atelier haalde Sterre een pak te voorschijn. "Dit is voor u ", zei ze ernstig en overhandigde het mij.
Er zat een groot model buideldier in. Of nee, het was geen dier. Het was de vacht van een buideldier.
"Toe! Pas het eens!" drong ze aan. Haar ogen schitterden. Haastig trok ik mijn kleren uit en stapte in het pak.
Het voelde als een tweede huid. Ze sloot de goedverborgen ritssluiting op de rug met een zacht suizend geluid, pakte me bij een poot en duwde me voor een grote spiegel.
Mijn gezicht was verdwenen, alleen mijn tanden kwamen tevoorschijn en voor het eerst vond ik het niet erg dat ze nogal ver vooruit steken. Het was alsof mijn gebit zich hierop had voorbereid! De buidel was leeg; ik woelde er vergeefs met mijn handen doorheen; heimelijk had ik gehoopt op jongen, maar ze beloofde mij dat ze binnen enkele dagen drie jonge diertjes zou komen brengen.
Ik omhelsde haar en voelde mij zo gelukkig als ik nog nooit was geweest. Thuisgekomen strekte ik mij uit op bed en begon onmiddellijk met oefenen in het likken van een paadje voor de jongen. Hoe moesten ze anders de weg naar mijn buidel vinden?