Maria had die dag de koffiefilters op een andere plaats gelegd. Daar was het mee begonnen. In plaats van op de keukentafel had ze het geopende doosje in de keukenla gestopt. Waarom ze het gedaan had wist ze aanvankelijk niet.
Later realiseerde ze zich, dat ze de intense behoefte had gevoeld om die mooie, regelmatige, door niets beroerde trekken te zien veranderen. Er emotie in wilde zien ontstaan; uitdrukking in dat bijna onnatuurlijk mooie gezicht wilde waarnemen.
Eerst - onzekerheid? Daarna - verbazing? Angst? Boosheid?
Nee, aan boosheid was hij nog lang niet toe. Die emotie was nog heel ver van hem vandaan. Nooit was daar enige aanleiding toe geweest.
De oude vrouw van het grote huis die zijn moeder was had hem aan haar overgedragen zoals je een lievelingsdier tijdens een vakantie bij een heel vertrouwd adres onderbrengt, met een etensbakje en een lijst met voorschriften "Hij is niet lastig, hoor. Hij zal alles doen wat je van hem verlangt. Hij is erg gehoorzaam".
Het had Maria een beetje gekwetst, omdat de jongen het met die zachte, onwezenlijke glimlach allemaal had aangehoord. Zo volslagen doordrongen van het feit dat niemand hem iets anders dan liefde toedroeg. Voor hem zorgde met zachte troetelwoordjes.
Een boos woord - hij zou het niet eens kunnen begrijpen in zijn totale hulpbehoevendheid, met de kindergeest die in dat mooie bijna volwassen jongenslijf huisde. Eigenlijk was hij al volwassen. Twintig jaar, enkele maanden jonger dan zijzelf.
Samen met de moeder bracht Maria zijn bagage naar boven; de dure leren koffers geurden naar verre landen, waar zij alleen maar van kon dromen.
Hij had de garderobe van een prins. Eigenlijk was hij de prins van het grote huis, waarin hij was geboren, de langverbeide, niet meer verwachte zoon.
Het was daarna heel stil gebleven. Geen feesten, geen muziek meer, voordien op zomeravonden tot ver in de omtrek te horen. Zijn vader had zich, vijf jaar na de geboorte van zijn zoon, een kogel door het hoofd gejaagd. Daarna had "de oude vrouw" zoals ze altijd werd genoemd, alleen nog geleefd voor haar lieveling.
"Hij kan je helpen, Maria, hij kan eenvoudige dingen doen. Als je alles maar precies op dezelfde plaats zet. Je moet hem wel goed wegwijs maken. Ik vertrouw hem jou toe, Maria. Ik ben je zo dankbaar. Je lijkt zoveel op je lieve moeder, God hebbe haar ziel..."
De oude dame had haar ogen gebet met een naar lavendel geurend zakdoekje.
“Zodra het grote huis verkocht is en ik een geschikte plaats aan de kust heb gevonden kom ik hem halen. Je hoort zo spoedig mogelijk van mij".
Ze was nooit teruggekomen. Van de aardbodem verdwenen. Wel had Maria van de notaris bericht ontvangen dat het huis was verkocht en dat het geld ten behoeve van de jongen op een rekening was gestort. Voor haar was er een ruim legaat, zodat ze de verzorging van de jonge erfgenaam kon voortzetten en niet meer op een andere manier in haar onderhoud hoefde te voorzien.
Maandenlang had ze niet willen geloven dat de oude vrouw haar oogappel in de steek had gelaten; weliswaar onderdak gebracht en financieel goed verzorgd - hij had een vermogen op de bank - maar toch, hem zomaar had achtergelaten... Als een overtollig dier naar een asiel gebracht. Misschien was ze dood, peinsde Maria. De notaris kon haar verder geen informatie verschaffen. Zei hij. Maria had jachtig haar omslagdoek gepakt en was naar het grote huis gerend. Er woonden vreemde mensen, dat had ze nog niet eerder opgemerkt. Ze liep de heuvel op, die ze als kind zo vaak dansend was afgehuppeld als ze haar moeder na het werk had opgehaald om samen met haar naar hun knusse huisje te gaan. Haar moeder, die kokkin was op het grote huis.
Achter de glimmende koperen pannen in de koele ruime keuken was haar moeder iemand anders, hoorde ze niet meer van Maria. Ze had de kleine jongen gezien en soms met hem in het park rond het huis gewandeld, in opdracht van haar moeder. Af en toe had ze hem erom gehaat. Hij zag haar moeder vaker dan zijzelf.
Na haar moeders dood was Maria verpleegster geworden en had in haar dorp altijd genoeg werk gevonden. Ze was tevreden in de eenvoudige, maar comfortabele woning die haar was nagelaten.
"Míjn moeder! Míjn moeder!" had Maria dikwijls, als ze zich eenzaam voelde, hardop gezegd. Om te bewijzen dat ze werkelijk van háár was geweest. Om een klein stukje voor zichzelf te behouden. Het grote huis en de kleine jongen hadden het recht opgeëist haar moeder vierentwintig uur per dag te kunnen optrommelen!
Nu hadden de vrouw en de jongen ook háár leven opgeëist. Ze was beurtelings woedend, wanhopig, bedroefd, bang en beschaamd.
De notaris had gesproken van "eeuwige dankbaarheid" en "een verzekerde toekomst".
Maar de jongens in het dorp, die ooit belangstelling voor haar hadden getoond, waren weggebleven, toen het nieuws van de verdwijning van de oude vrouw bekend was geworden. Slechts een enkele oudere boer had nog interesse getoond.
Aanvankelijk had ze de opdracht om voor de jongen te zorgen als een betáálde opdracht aanvaard. Ook wel een beetje uit respect en piëteit tegenover haar moeder, die vriendelijk en zorgzaam voor hem was geweest.
Dat de jongen in al die maanden niet éénmaal een teken van ongeduld had getoond, zelfs maar een aanwijzing had gegeven dat hij zijn moeder miste, had Maria bevreemd. Alsof hij wist dat ze er niet meer was, nooit meer terug zou komen.
Op zijn kamer zat hij urenlang aan tafel met schelpen en stenen te spelen. Hij legde de wonderlijkste figuren, las als het ware met zijn vingers de vorm van de voorwerpen en rangschikte ze dan. Of hij lag op zijn bed, een mysterieus, vaag glimlachje om zijn lippen, alsof hij deelnam aan een geheime bijeenkomst, of bijzondere dingen beleefde, die alleen hij kon waarnemen.
Verder kwam er geen levensteken uit hem. Niets. Alsof hij al dood was. Het beklemde haar; dikwijls zette ze de radio aan, hard, of juist heel zacht, om een reactie bij hem op te roepen. Zonder effect. Alleen die vage glimlach.
Ze haalde hem naar beneden om te eten, hem te baden en te kleden of met hem in de zon te wandelen. Alleen zijn ademhaling was hoorbaar.
Aan tafel schaamde ze zich wel eens, omdat ze hem zo openlijk en ongestoord gade kon slaan. Zijn mooie gezicht, zijn zijig goudbruin krulhaar, de prachtige blauwe ogen die niets voor hem konden doen. Het was niet te geloven dat die oude vrouw zijn moeder was. Een gril van de natuur.
Na het eten was het koffiezetten een ritueel geworden, waaraan hij plezier scheen te beleven, want hij stond altijd direct na het beëindigen van de maaltijd op en wachtte op het moment waarop Maria hem naar de keuken begeleidde.
Of hij de keuken alleen kon bereiken of op haar aanraking wachtte was haar niet duidelijk.
Eenmaal in de keuken wist hij alles te vinden. De koffiefilters, de pot, het filter, kopjes, room en suiker. Alleen het opgieten van het kokende water deed ze zelf, uit angst dat hij zich zou branden.
Elke avond verliep het ritueel op dezelfde manier.
Toen nam iets bezit van haar. Wrevel? Wraakzucht? Nieuwsgierigheid? Of – kwalijker – misschien het besef van haar macht? Ze wist het antwoord niet, bleef zichzelf de verklaring schuldig.
Die avond legde ze de koffiefilters in de la van de keukentafel in plaats van op het tafelblad en wachtte vol spanning op de loop der dingen.
Ze had hem, zoals altijd, naar de keuken gebracht. Zijn hand, die vergeefs over de keukentafel dwaalde, over de koelkast streek, eerst voorzichtig, daarna sneller, zijn dunne,lange vingers als de voelsprieten van een reuzenvlinder.
Doodstil bleef hij staan, maar Maria deed alsof ze niets merkte, rammelde met serviesgoed terwijl ze hem scherp in de gaten hield.
Weer begon zijn hand een onderzoekingstocht, als een jong diertje dat voor het eerst uit zijn hol is gekropen.
Ze gaf een gil toen hij de waterketel omstootte; het kokende water siste over zijn hand. Ze sprong op hem af toen hij met een van pijn vertrokken gezicht de verbrande vingers naar zijn mond bracht en trok hem mee naar de kraan. Het koude water spoot kletterend over zijn hand, terwijl Maria huilend troostwoorden riep. Haar hart bonkte, ze trilde over haar hele lichaam. Dat ze dit niet had kunnen voorkomen, het was onvergeeflijk van haar.
Voor het eerst weigerde hij zijn koffie. Ze bracht hem naar boven, verbond zijn hand en legde hem voorzichtig in bed, zijn gewonde hand boven de dekens.
Toen ze de deur achter zich wilde sluiten, hoorde ze een zacht gerucht.
Verschrikt draaide ze zich om. Twee tranen liepen over zijn wangen. Hij snikte zacht.
Ze wierp zich op haar knieën voor het bed, bedekte zijn gezicht met kussen en wiegde hem in haar armen, totdat zijn wezenloze glimlach weer verscheen.