De tekenaar van enkele van mijn kinderboekjes vroeg om een presentexemplaar van het onlangs uitgekomen boekje en vol schaamte over mijn nalatigheid ging ik hem er een brengen.
Tegenover zijn huis vond ik een parkeerplaats en terwijl ik nog bezig was de auto fatsoenlijk neer te zetten, kwam er een vrouw op een scootertje aangereden. Ze keek in de auto, riep: 'Dag Corrie!' en stopte spontaan.
Vrolijk lachend kwam ze op mij af. Ik zat nog steeds in de auto, het raampje was open want het was mooi weer.
'Ik ben Corrie niet, hoor!' zei ik geheel naar waarheid. Dichterbij gekomen, bemerkte ze haar vergissing.
'O, sorry, hoor! U lijkt zo sprekend op die kennis van mij! Hetzelfde haar, staat u trouwens leuk hoor, u ziet er heel jong uit!'
'Nou, ik loop toch al naar de honderd, hoor!' antwoordde ik, zoals meestal als ik geen zin heb mijn leeftijd te verraden. Want het overkomt me ontzettend vaak dat mensen dat willen weten. Sommige kennissen heb ik zelfs betrapt dat ze in mijn tas in mijn papieren zaten te snuffelen om er achter te komen. Het maakt me steeds halsstarriger, want toen de nieuwe secretaresse van de krant waar ik voor schreef, oude gegevens ging opzoeken ter voorbereiding van het jaarlijkse functioneringsgesprek of zo, rende ze opgewonden rond om te vertellen dat ik al min of meer een bejaarde was. Waarna de collega’s, die me de dag ervoor nog door het hele land hadden gestuurd voor een interview, mij begonnen te ondersteunen op weg naar de vergaderkamer en riepen: 'Denk om het afstapje hoor!' Kortom, zodra ze je leeftijd weten, vooral van vrouwen, ben je gestigmatiseerd en daarom zeg ik niets. Flauw? Ja, maar het leeft wel lekkerder.
Leeftijd speelt kennelijk de nummero 1 rol in iemands leven. Mijn vader zei altijd: 'Het is zeer onbeleefd om iemand de volgende drie dingen te vragen:
1. Zijn/haar inkomen;
2. Zijn/haar politieke overtuiging;
3. Zijn/haar leeftijd.'
Daar houd ik me nog steeds aan, want ik vind het uitstekende omgangsregels.
Het verhaal van de vrouw met de scooter is nog niet uit. Ze zei dat ze me ergens van meende te herkennen. Ik sloeg haar een aantal mogelijkheden voor: van concerten, de krant, dichtersfestiviteiten in de plaatselijke boekhandel of gewoon van de markt. Maar ze bleef het antwoord schuldig en riep, dat ze me een interessant mens vond. Tegenspreken was een optie, maar ach, waarom zou ik?
Toen vroeg ze of ze een foto van mij mocht nemen en voor ik het wist had ze uit een plastic tas een piepklein digitaal camera’tje tevoorschijn gehaald. Met gespreide benen en gebogen rug stond ze serieus, alsof haar leven er vanaf hing, mij te fotograferen.
'Kijk,' zei ze en liet me het resultaat zien. Ja, ik was het. Gelukkig was ik de dag tevoren naar de kapper geweest, dat scheelde wel.
'Wat gaat u er mee doen?' vroeg ik, een beetje gegeneerd door haar enthousiasme.
'Mijn vriendinnen laten zien natuurlijk! Het overkomt je niet elke dag dat je een vrouw van tegen de honderd ontmoet die er nog zo jong uitziet! Onverholen verbazing straalde uit haar ogen.'
'Hoe doet u dat?'
'Veel ellende en narigheid, daar wordt een mens sterk van!' zei ik en vond mezelf echt een kreng. Ja, wist ik dat me onverwachts zo’n vraag gesteld zou worden?
Ze keek me aan, draaide zich om en stapte op haar scootertje.
'Daag!' riep ze zonder om te kijken.