Een goede vriend van mij wees mij onlangs op een artikel in de Elzevier met als titel: “Vrouwen, zeur niet”, de subtitel maakte het er al niet beter op: “De vrouwelijke arbeidsmoraal in Nederland is rijp voor een facelift”. Toch begon ik geïnteresseerd het artikel te lezen. De inleiding van het verhaal was al stof genoeg voor een levende discussie: “Nederlandse vrouwen werken weinig en bereiken zelden de top. Als ze werken, zijn ze overdreven vaak ziek, zwak en misselijk. De reden: vrouwen willen eigenlijk liever niet werken. In plaats van ze te vertroetelen, zouden vrouwen een schop onder hun achterste moeten krijgen.” Aldus het artikel in de Elzevier (17 mei 2003, nummer 20).
Volgens dit artikel houdt de Nederlandse vrouw niet van werken en niet van carrière maken. Voor even is het prima, maar zodra er kinderen komen gaan ze drastisch minder werken. Vaak is dit geen tijdelijke beslissing. Volgens een bijgezet statistiekje werkt de Nederlandse vrouw het minste van andere landen.
Ik probeer kritisch naar mijzelf te kijken. Ik heb werken altijd heel leuk gevonden. Tot voor kort had ik naast mijn fulltime baan (die vaker bestond uit een 60-urige werkweek dan uit 40- urige) ook nog werkzaamheden voor mijn eigen bedrijfje. Deze laatste werkzaamheden deed ik dan vaak ik de late avonduren, nacht of weekenden. Overigens altijd met veel plezier. Mijn oma zei vroeger al dat van (hard) werken nooit iemand is dood gegaan. Stress is trouwens weer een ander verhaal.
Er waren bij ons vroeger thuis duidelijke regels. Ziek thuis blijven mocht, maar alléén als de thermometer hier toestemming voor gaf. Dit kwam ongeveer overeen met een lichaamstemperatuur van boven de 38 graden. Als kind heb je op een gegeven ogenblik best door hoe je deze temperatuur kunstmatig kon laten stijgen, maar dat is een ander hoofdstuk. Mijn vader had een fulltime baan en naast zijn baan heeft hij aan het begin van zijn carrière diverse studies in de avonduren gevolgd. Mijn moeder is weer gaan werken (overigens in goed overleg met ons, de kinderen) toen ik bijna naar de middelbare school ging. Bij ons thuis waren werkende vrouwen net zo vanzelfsprekend als werkende mannen. Verantwoordelijkheid, een bepaalde arbeidsethos is ons met de paplepel ingegoten. Vanaf dat ik een jaar of veertien was, en ik wat meer geld (naast mijn zakgeld) wilde gaan besteden, “moest” ik dat dus maar gaan aanvullen met een baantje. Op mijn veertiende jaar stond ik dus op koopavond én de zaterdag op de groenteafdeling van de Centra. Later is dit baantje nog veranderd naar voedingsassistente in een ziekenhuis, tot ik dikke verkering kreeg en ik gewoon “geen tijd” meer had om erbij te werken. Van mijn extra zakgeld, spaarde ik totdat ik iets moois kon kopen. Ik heb dus geleerd dat je voor geld moet werken en dat het je niet komt aanwaaien. Dergelijke principes blijven hangen en ik ben mijn ouders nog dankbaar voor dat stukje ondersteuning.
Op mijn 23e ben ik gescheiden van mijn man. Op dat moment stond ik er alleen voor, dus ook financieel. Dat betekent: niet werken, geen eten. Wel werken, goed eten. Veel werken, goed eten én leuke dingen doen. En ik wilde gráág leuke dingen doen. Naar mate de jaren verstreken merkte ik dat veel werken niet alleen geld opleverde maar ook een stuk voldoening en het allerbelangrijkste misschien nog wel: een stuk onafhankelijkheid.
Terugkomend op het artikel in de Elzevier. Wanneer je het hele artikel leest zit er best een kern van waarheid in. Alleen vind ik het wel iets cru gesteld. Ook ik heb genoeg vrouwen om mij heen gezien zonder enige vorm van verantwoordelijkheid en die zich het liefst bezig houden met simpele werkzaamheden waar geen groei aanwezig is. Maar ik heb ook genoeg vrouwen gezien die wel degelijk een carrière voor laten gaan op de gezinssituatie. Daarnaast zijn er ook genoeg mannen die een carrière niet zo belangrijk vinden. Ook is het mij opgevallen dat veel afgestudeerden (zowel vrouwen als mannen) na het afronden van de studie denken dat ze er al zijn. Terwijl het eigenlijk dán pas begint. Zo ook de verdiensten. Velen vinden het vanzelfsprekend geld te “krijgen” voor hun werkzaamheden, maar het heet niet voor niets “geld verdienen”.
Op dit moment ligt mijn carrière een beetje overhoop. Helaas kan ik op dit moment (door mijn lichamelijke toestand) niet werken. Wat kleine klusjes voor mijn eigen bedrijf lukt nog net, omdat ik hiervoor mijn eigen tijd goed kan indelen. Ben ik moe? Ga ik gewoon weer liggen en na een uurtje of twee ga ik gewoon weer verder. Financieel ben ik nog steeds onafhankelijk omdat ik op dit moment nog steeds een riante ziektewetuitkering krijg. Maar de voldoening, mis ik zeker. Zo ook het contact met collega’s, de verantwoordelijkheid en de verplichting de hersens eens goed te laten kraken.
Wanneer ik weer aan het werk kan, is op dit moment nog onzeker. Voorlopig ligt mijn prioriteit bij het bevallen van een gezond kindje.
Tegen de tijd dat mijn lichaam het weer toelaat buitenshuis te gaan werken én de omgevingscondities (lees: ons prulletje naar school gaat) ook goed zijn, wil ik mij weer in de (buitenshuis)werkende maatschappij storten. Waarschijnlijk voor maximaal drie dagen per week... terwijl ik dondersgoed weet dat de interessante banen beginnen vanaf een 4-daagse werkweek. Het zij zo... ik wil in ieder geval voldoende energie overhouden voor het genieten van mijn kindje. Want daar heb ik immers zeer bewust voor gekozen!
Eigenlijk ben ik dus gewoon zoals zo vele andere vrouwen... aldus Elzevier.