Ken je dat - volgens mij typisch vrouwelijke gevoel - dat een stemmetje in je achterhoofd je helemaal gék kan maken? Nee, ik heb het hier niet over een gevalletje schizofrenie. Ik bedoel dat zeurende stemmetje of je het nou echt wel goed hebt gedaan. Had je toch niet beter...?
Ik ken het stemmetje nog van 'vroeger', toen ik verliefd was - en dat ben ik vele malen geweest. Dat stemmetje dat me vroeg of hij écht wel verliefd op mij was? Of hij niet gezien zou hebben hoe mijn haar gewoon afschuwelijk zat vandaag? En hij keek zo naar dat andere meisje. Wat bedoelde hij eigenlijk toen hij zei: "..."?
Het is datzelfde stemmetje dat me nog dagelijks overvalt. En het grappige is: dat stemmetje heeft een vriendje. Mijn stemmetje gaat namelijk hand in hand met: Blozen. O, o, o, wat kunnen ze het goed vinden samen. Stemmetje haalt me onderuit en Blozen stampt over mijn gezicht. Haveloos en onzeker laten ze me achter, ergens onder een tafel, waar ik me dan stilletjes zit af te vragen wat er zojuist verkeerd ging.
Had ik me niet deze keer goed voorbereid op het stemmetje? Had ik niet een heel gevat weerwoord bedacht op zijn gewiekste opmerkingen? Als hij dit zou zeggen, dan zei ik dat en dan zou het stemmetje deze keer onder de tafel kruipen en niet ik.
Maar het gaat niet. Situaties overvallen mij en BOEM: daar is Bloos. Schaterend op mijn linker schouder wuift hij naar zijn vriendje Stemmetje, die rechts van mijn hoofd buldert van het lachen.
Zo had ik al verteld dat ik mijn kleine beetje zelfvertrouwen via de mail had verzonden naar de redactie van een krant, die de stichting waarvoor ik werk, maandelijks uitgeeft. Nou, ik kreeg een reactie. Het duurde even, want hoge heren laten graag op zich wachten om de spanning te verhogen en hun belangrijkheid te benadrukken. Maar ik kreeg antwoord. De redactie was erg enthousiast en we moesten maar iets afspreken!
Woehaha bulderde ik in het kleine, bleke gezichtje van Stemmetje. Zie je wel: Ik kan bést wel wat! En het stemmetje bleef daar zo een beetje beteuterd achter met zijn hoofdje tussen zijn knietjes. En ik kreeg nog bijna een schuldgevoel ook. Ik had niet zo rot moeten doen. Ik had toch beter moeten weten. En in mijn schaamte zag ik niet, hoe hij knipoogde naar Blozen.
Voor ik het wist, hadden ze me tuk. Want ik hoorde niks meer van de redactie. Ik had een reactie gestuurd op hun mailtje. Ik had nog diezelfde avond een mailtje verzonden met tientallen data voor een afspraak. Er ging een halve week voorbij en toen een hele. Ik duwde Stemmetje weg, toen hij mij vroeg of ik niet te gretig, te snel had gereageerd. Ik deed mijn vingers in mijn oren en ik verzond eigenwijs nog een keer hetzelfde mailtje. De dames en heren Redactie hadden vast een probleem gehad met hun e-mail. Ze hadden toch zeker zelf verteld over hun enthousiasme. Dat kón ik niet verzonnen hebben.
Maar nu zijn we twee weken verder. Al bijna drie. En nog geen reactie van de redactie. Volgens mijn afdelingshoofd, heeft het hoofd van Public Relations helemaal geen vakantie en prompt wordt het fluisterende stemmetje in mijn hoofd steeds hoger en scheller. Zouden ze zich bedacht hebben? Het was immers één april?!